Kodo, zoon van de samoerai

Ze stonden tegenover elkaar in de sneeuw, allebei met een bamboestok in hun hand. Kodo voelde zijn hart trillen, als een rijpe kastanje in zijn bolster. ‘Sla mij met die stok,’ zei zijn vader, ‘zo hard je kunt.’
‘Als ik u raak, gaan we dan met de zwaarden vechten?’
‘Probeer het eerst maar met die stok.’

Samen met zijn vader woont Kodo in het veerhuis aan de brede rivier. In de verte rijst de Foedji op, de Eeuwige Berg. Achter het veerhuis begint het geheimzinnige cederbos. Kodo oefent elke dag verbeten met zijn zwaard, want er dreigt gevaar. De ninja’s liggen op de loer in het cederbos. Met vollemaan zullen ze aanvallen. Maar waarom? En wie heeft hen gestuurd?

12+
2006
omslag: B2

omslag Kodo, zoon van de samoerai